Report: KANTOR Festival 2014

Het uitgestorven bedrijventerrein vlakbij station Sloterdijk ziet er niet bepaald uit als een festivallocatie, zo in het donker en tijdens de vrijmibo. Net wanneer je je begint af te vragen of je de juiste locatie hebt ingevoerd in de navigatie, klinken er aan het eind van de straat zachte beats. Er staan fietsenrekken en groepjes jongeren voor een met schijnwerpers verlicht kantoorpand: in De Sloot Office is de tweede editie van KANTOR Festival net aangevangen. Over een kwartier zal het driedaagse festival officieel worden geopend door nachtburgemeester Mirik Milan en Kajsa Ollongen, de Amsterdamse wethouder van Kunst & Cultuur.

De officiële opening klinkt groter en spannender dan die is. De donkere zaal, waarin clubmuziek wordt gedraaid door dj Lumière, is tien minuten voor de opening halfleeg. Van het handjevol twintigers en begindertigers draagt iedereen een blauwe sweater, met daarop een letter. Wonderbaarlijk genoeg is de zaal even later gevuld met blauwe truien en wordt er verwachtingsvol rondgelopen, bier gedronken en gepraat. Tot aan het plafond reikt een bos zwarte ballonnen en op het lage podiumpje wacht een celliste, met bewegende elfenoortjes, op haar collega-kunstenaars van Studio Nepco (‘de fabriek van de twijfel’). De eerste van haar collega’s is een man met metershoge witte pruik en een brede witte jurk tot aan de grond, die onhandig op het podiumpje stapt wanneer de celliste begint te spelen. Onder de rok vandaan kruipen zilveren ballonnen en een klein wezentje. Alsof de witte jurk zojuist bevallen is. Het kleine wezentje, dat een lenig meisje is, maakt in fel licht langzame, grootse bewegingen, alsof ze haar lichaam voor het eerst ervaart, en fotografen schieten erop los. Daarna proppen een presentator, de nachtburgemeester en de wethouder zich ook nog op de verhoging, waar een levensgrote, knippende schaar voor heen en weer wandelt. Een lintje wordt er niet doorgeknipt en na twee kleine dankwoordjes slash odes aan de kunst en het nachtleven, is het festival geopend. Lumière draait verder in de Paardenkracht Disco Club en de blauwe truien verdwijnen wat twijfelachtig uit de zaal. Oh, dit was het? Wat werd hier nou mee bedoeld? De geboorte van nieuwe kunstvormen? Van een nieuw festival?

Ach, wat maakt het ook uit? Het is gezellig. Daar gaat het om. De truien gaan uit, want de hippe outfits eronder moeten wel zichtbaar zijn. De meerderheid verdwijnt naar Wing #1: een hoge zaal waar een zomeravond is nagebootst. Aan rijen meterslange witgedekte tafels staan houten stoeltjes, op de tafels staan bloemetjes in vaasjes en achterin staan caravans en kraampjes waar pizza en patat worden verkocht, versierd met lichtsnoeren die ook aan het plafond hangen. De picknicktaferelen worden compleet gemaakt door het houten podiumpje in tropische stijl, waar live muziek wordt gespeeld door kleine bandjes. Als je de mensen van het bandje niet kent, krijg je het gevoel dat je er niet helemaal bij hoort. Aan de muur hangt een expositie van teksten uit het Stedelijk Museum, waar bijna niemand oog voor lijkt te hebben. Bier is belangrijker dan kunst.

Het kleine trappenhuis tussen Wing #1 en #2 leidt naar de andere zes vleugels, waar zo ongeveer alle vormen van kunst te bewonderen zijn. Er zijn spierwitte ruimtes met wat fotografie en schilderkunst, achter glas is een machientje eindeloos horloges aan het produceren en de stopcontacten waar ooit pc’s aanhingen, geven nu stroom aan een opblaasgevaarte dat zichzelf niet verder kan opblazen door de kooi waarin het zit. Dit alles is geëxposeerd in spotlights. Er is geen muziek in de ruimte. Wel vloerbedekking. En toch oogt het feestelijk. Gemaakt feestelijk, dat wel.

De nachtburgemeester en de wethouder worden ondertussen rondgeleid door een meisje in een jurkje, dat lijkt gemaakt van hetzelfde materiaal als de vervormde discoballen op het grijze tapijt. De hostess past perfect onder de feestslingers aan het plafond. Ze leidt hen naar de donkere Wing #8, waar een interview met choreografe Marie Goeminne aan de gang is. Met een aantal korte fragmenten op groot doek en de uitleg van Goeminne, over waarom ze twee vrouwen koos (‘omdat dat een ander soort relatie oplevert’), wordt het publiek nieuwsgierig gemaakt. Het stuk is kort maar krachtig, want in de paar minuten dans is duidelijk dat het om een liefdesverhaal gaat, waarin het publiek vanaf de eerste minuut meegesleept wordt. Maar die ook snel weer vergeten is, want er is meer te doen!

Uit Wing #6, op de tweede verdieping, schijnt groen licht en af en toe is er een flits. Je kunt er op de foto met mannen in ondergoed en (alweer) glitterpakjes. Het is duidelijk dat alle vormen van kunst dit weekend in een feestelijk jasje gehesen worden en dat het allemaal zo interactief mogelijk moet zijn. Dat is waarschijnlijk de toekomst van kunst. KANTOR is met die aanpak en het overkoepelende karakter van kunstdisciplines ongetwijfeld vernieuwend.

Zo zijn er, naast bovengenoemde acts, muziektheatergezelschappen, kleine radiozendertjes en live schrijvers in het relatief kleine, muf wordende kantoorgebouwtje gepropt. Om even bij te komen kun je in de Cinema Wing neerploffen in een zitzak voor de beste films van het Food Film Festival. Liever mode? Kan ook. Aan de overkant spelen oude, door het EYE geselecteerde modefilms in een zaal die met o.a. mode-installaties verwijst naar het champagnehuis Taitinger uit 1930. Erg ouderwets ziet de strakke blauwverlichte bar er niet uit, maar sjiek is het wel. Zonde het er zo rustig is.

Waar al die hippe bezoekers plotseling heen zijn is een raadsel. In de discozaal zijn de blauwe truien van plafond tot aan de vloer opgehangen door kunstenaar Dennis Vanderbroeck en vormen zo zijn interactieve selfie-installatie. Over moderne vormen van kunst gesproken. Als om halfnegen housepionier en alleskunner Joost van Bellen begint met draaien loopt de zaal voller, om bij Homework, Les Deuxx en tot slot William Kouam Djoko ook nog vrolijk gevuld te blijven. Het is duidelijk waarvoor het publiek gekomen is.

Alle kunstwerken zijn het hele weekend nog te bezichtigen. En als je dat zat bent of – en dit is waarschijnlijker – als je al heel snel alles gezien hebt, kun je een dansje of drankje doen. Het is net een groot huisfeest. Harstikke gezellig, maar is al die zogenaamde toegankelijkheid wel goed voor de kwaliteit van de kunst? KANTOR zegt een ode te zijn aan kunst, in een tijd dat kunst “populairder dan ooit” is, maar verpesten organisaties als die van KANTOR het hele idee van (moderne) kunst juist niet door het als een excuus voor wéér een dancefeest te gebruiken? Wordt de kunst daarvan niet (te) oppervlakkig?