Vierzitjes

Mijn column/essay/tip over treinreizen, vierzitjes en vreemdelingen lees je hieronder of op Hard//hoofdBeeld door mij. 

Inmiddels weet ik wel beter, maar een paar jaar geleden vond ik nog dat vierzitjes beperkt zouden moeten worden tot maximaal één per treinstel. Zouden er minder vierzitjes zijn, dan hadden de uren in Intercity’s mij een hoop minder energie gekost. Met de rust van een tweezitje had ik in de avonden nog kunnen schrijven zonder in slaap te vallen; in het weekend meer kunnen doen dan uitrusten en artikelen lezen waarop ik me in de trein niet kon concentreren.

Omdat er een knappe man in pak tegenover me zat. Omdat er een oudere vrouw zenuwachtig naast me zat te trillen met haar ov-chipkaart en aan coupégenoten vroeg waar ze moest overstappen en ‘uitsjekken’. Omdat er een moeder schuin tegenover me zat met een druk pratende peuter op schoot, maar niemand precies wist hoe te reageren op zoveel plotselinge schattigheid. Omdat er drie jonge vrouwen van mijn leeftijd om me heen zaten die zomaar mijn vriendinnen hadden kunnen zijn, maar waar ik niets tegen durfde te zeggen omdat ik ze niet kende.

Omdat ik het awkward vond, kortom.

Vierzitjes zijn alleen handig als je met vrienden onderweg bent naar een festival, was mijn stellige overtuiging. In een van mijn eerste avondspitsen scrolde ik, om oogcontact te vermijden, tig keer voorbij dezelfde Instagram-foto en dacht ik: vierzitjes stroken niet met ons individualistische wereldje. Contact maken met vreemden vind ik digitaal namelijk een stuk minder eng dan in de analoge realiteit.

Zonde, want mijn overbuurman of -vrouw zou mij misschien veel meer kunnen bieden dan al die mensen op dat schermpje in mijn hand. Zo ontmoetten onze ouders elkaar in 1946 (of iets later) bijvoorbeeld door een gemiste trein. En zo ontmoette ikzelf in 2014 mijn vriend, op de vierzitjes van een sprinter tussen Amsterdam Amstel en Centraal. Tussen ons in een gangpad en alle stoelen om ons heen waren bezet.

Nu slaap ik iedere avond naast die vreemdeling, met wie ik nul gemeenschappelijke Facebookvrienden had en die me destijds nog een saaie, iets te oude jongeman leek; in mijn ogen een gemiddelde treinreiziger. Inmiddels zit ik maandelijks op verjaardagen bij schoonfamilie en zijn we samen door Frankrijk en Vietnam gereisd.
Mijn treingenoot en ik bleken allebei een voorliefde voor katten te hebben, miniatuurwerelden zijn onze guilty pleasure en we richtten onze huizen allebei al in met vintage voordat dat mode was. Tekenen is ons equivalent van yoga, en wanneer we wakker worden zien we elkaar niet omdat we bijna even bijziend zijn. En, misschien wel het belangrijkste: we begrijpen elkaars sociale fobieën en onhandigheden.

Toegegeven: hij was degene die het verwachtingspatroon durfde te doorbreken en mij aansprak. Maar nog steeds zijn we niet uitgepraat. Had ik die ochtend een tweezitje verderop in de wagon gekozen, dan had ik nu wellicht nog in een kleine studentenkamer aan de andere kant van het land gewoond. Zonder katten. Zonder ieder weekend koffie en afbakbroodjes op bed.