David Foster Wallace: een leeservaring

Op 23 juni vertelde ik in boekhandel WALTER in Arnhem over mijn leeservaringen met schrijver en bandanadrager David Foster Wallace. En wat ik van hem leerde. Dit was een onderdeel van het Nieuwe Types Festival van Literair Productiehuis Wintertuin. Lees hieronder mijn voordracht. Over anti-ironie en identiteit.

David Foster Wallace: een leeservaring

Als je straks, wanneer ik aan het vertellen ben, denkt ‘wat praat ze raar’: dat komt doordat ik nog niet zo lang een beugel draag. Die had ik een jaar of twaalf geleden ook al, maar alles is terug gegroeid. De natuur is het niet altijd eens met onze opvattingen van esthetiek.
En noem het vergezocht of toeval, maar het dragen van die slotjes geeft mij ongeveer dezelfde gevoelens als het eerste werk dat ik van David Foster Wallace las. The Broom of the System was dat. Zowel het ingenieuze verhalenstelsel als het ijzerwerk in mijn mond maken mij bij vlagen verward, onzeker, gefrustreerd – maar uiteindelijk brengt het lezen en het dragen mij ook ergens. Ik zal je uitleggen waar David Foster Wallace bij bracht en hoe hij dat deed.

De trein is niet de beste plek om Wallace te lezen – ik heb trouwens nooit gesnapt waar zijn voornaam eindigt en zijn achternaam begint, dus vanaf nu is het Wallace. Er is werkelijk niets gemakkelijks of gebruikelijks aan hem: zelfs zijn naam niet.
Wallace nam ik graag op schoot, in de trein dus en in de woonkamer van mijn toenmalige studentenhuis, op een stadsterras, op het balkon. Op al die plekken moet je hem niet echt gaan zitten lezen, want dan zal hij óf je aandacht verliezen óf hij zal je onzekerheid alleen maar groter maken dan wanneer je hem thuis, onder schemerlamplicht op de bank of in bed leest. De enige reden waarom je Wallace buiten zou mogen lezen, in een omgeving vol prikkels, is omdat je best trots mag zijn om Wallace te lezen. En te snappen. Mij lukte dat niet na een eerste lezing.

Buiten intellectuele en literaire kringen wordt Wallace namelijk wel omschreven als een onleesbare schrijver, met onleesbare ‘bakstenen’ van boeken. Zijn verhalen zijn dan ook geen gemakkelijk doordringbare en overzichtelijke landkaartjes, maar voelden voor mij meer aan als literaire doolhoven, waarin de schrijver mij niet aan het handje meenam, maar mij tot frustrerends toe in liet ronddwalen. Op zoek naar houvast, naar richtingaanwijzers. Maar op iedere pijl, met hoofdstuktitel, stond het jaartal 1990. Behalve op de eerste, daar stond 1981.

Toen Wallace The Broom of the System schreef, moest het nog 1990 worden. Inmiddels zijn we zo’n dertig jaar verder en worden er nog steeds leesclubs gehouden over zijn, zacht uitgedrukt originele, roman. Het was misschien pas tijdens één van deze leesclubs dat ik – vergeef me – een bezem door mijn leessysteem kon halen: het stof uit mijn interne doolhof kon vegen; waar ik, door erover te praten, werd uitgehaald.

Want over Wallace moet worden gepraat. Op die manier kunnen wij, schrijvers, van Wallace leren, en een begaanbare weg aanleggen in hoofdstukken vol voetnoten, anti-ironie of uitsluitend bestaand uit dialogen. Want wellicht is Wallace in plaats van een lezersschrijver vooral een schrijversschrijver. Zonder Infenite Jest en The Broom of the System hadden oeuvres van een Dave Eggers, een Jonathan Franzen en een Jonathan Safran Foer er inhoudelijk en stilistisch anders uitgezien. En om het wat dichtbij huis te halen: ook jonge, Nederlandse schrijvers als Philip Huff gebruiken Wallaces stijl zoals Jett Rebel voortborduurt op platen van Prince en The Beach Boys.

De stijl van Huff zou Wallace catatonic realism noemen: volstrekt blanco registreert de verteller wat hij ziet, van het schuimkraagje op zijn cappuccino tot de print op een bandana van een tegemoetkomende fietser. Dat ik als lezer snak naar orde en verklaring, is mijn probleem.

En die bron van inspiratie, die Wallace heeft achtergelaten, is nog lang niet uitgeput. Dat bewijst onder andere een aantal schrijvers-in-spe van mijn opleiding. En hoewel jullie waarschijnlijk nog weinig van mij hebben gelezen, zijn jullie wellicht benieuwd waar of hoe je Wallace in mijn proza, poëzie en non-fictie kunt herkennen – mocht je in de toekomst iets van mij gaan lezen.

Maar of dat voor een lezer ook al zichtbaar is, weet ik eigenlijk niet. Ik denk dat Wallace mij van veel aspecten van het schrijven bewust heeft gemaakt. Zelfbewustzijn is dan ook iets waarvan Wallace eerder teveel dan te weinig had: bewustzijn was wat hem uiteindelijk zelfs fataal werd. Maar, zoals ook ik met andere persoonlijkheidseigenschappen doe, maakte hij van die zogenaamde zwakte zijn kracht. In een beroemde toespraak gaf Wallace zijn jonge luisteraars boeddhistisch-achtige wijsheden mee over bewustzijn en medeleven. ‘Learning how to think really means learning how to exercise some control over how and what you think.’

En ik denk dat dat, bewustzijn en empathie, voor mij sleutelwoorden zijn om eerlijk en bovenal vurig te kunnen schrijven. Niet schrijven om het willen schrijven, maar schrijven om het moeten schrijven: om een urgentie.

Die eerlijkheid, diepgang, intimiteit en bewustzijn lijkt een groep jonge, hippe schrijvers van vandaag, en mijn generatiegenoten, steeds meer te schuwen: confrontatie wordt vervangen door ironie – iets waar Wallace zich sterk tegen verzette. Wallace-fan en anti-ironie-pleidooischrijver Joost de Vries zei eens, terecht: ‘Verliefd worden gaat niet meer over liefde, maar over het jezelf toestaan verliefd te worden.’ Inderdaad, dacht ik toen hij dat zei, veel van mijn Amsterdamse vrienden durven zich niet meer over te geven aan dat enge, ellendige, huiveringwekkende, levensgevaarlijke gevoel.
Die angst voor eerlijkheid treedt dus niet alleen in de jongste literatuur op, maar is haast voelbaar als je door de straten van onze hoofdstad loopt – als je je voelsprieten daarvoor durft te gebruiken, uiteraard.

En ondanks dat ik mijzelf al schrijvend constant aan het confronteren ben met de vragen die ik vaak stel, durf ik wel te zeggen dat ik ook op de moed en durf van Wallace jaloers ben. Hij nam de vrijheid het systeem van een roman los te laten; eigen vormen te creëren. Want vrijheid hebben klinkt misschien als een oase van mogelijkheden en creativiteit, maar is dat alleen wanneer je je daar ook voor durft open te stellen.

En dat, durven, is denk ik wat Wallace mij het meeste heeft bijgebracht: durf out of the box te denken – om maar even een lelijke term te gebruiken. Het hoeft van Wallace tenslotte ook allemaal niet mooi te zijn. Als het maar authentiek is.

Dat hij die authenticiteit al op zijn drieëntwintigste durfde te ontdekken, toen hij Broom of the System schreef, maakt het minderwaardigheidscomplex dat hij mij aanschrijft alleen maar groter. Vandaag, 23 juni, over precies vijf maanden word ik zelf drieëntwintig en zal ik nog steeds slotjes dragen – maar die dan wellicht durven tonen, en – net als andere eigenschappen – durven om te zetten in iets literairs, dat jullie hopelijk over niet al te lange tijd kunnen lezen.